Ponskaarten(ook bekend als Hollerith-kaarten of geperforeerde papieren gegevensopslagkaarten) vertegenwoordigen een historisch maar cruciaal gegevensopslag- en invoermedium dat een cruciale rol speelde in de vroege ontwikkeling van computers. Vóór de komst van muizen, toetsenborden of zelfs echte beeldschermen dienden ponskaarten als het belangrijkste communicatiemiddel met computers.
Deze rechthoekige kartonnen vellen, geperforeerd met verschillende gatenpatronen, codeerden verschillende karakters en commando's. Elke kaart bevatte doorgaans 80 kolommen met tekstinformatie die verborgen waren in de geperforeerde gaten. Tot de opkomst van besturingssystemen met grafische gebruikersinterfaces (GUI) in de jaren negentig bleven ponskaarten de dominante methode voor het invoeren van gegevens in de meeste computersystemen.
Het concept van ponskaarten dateert al eeuwen vóór computers, en zijn wortels gaan terug tot de textielindustrie en specifiek tot het jacquardweefgetouw.
In 1801 ontwikkelde de Franse uitvinder Joseph Marie Jacquard een geautomatiseerd weefgetouw dat ponskaarten gebruikte om het optillen van kettingdraden tijdens het weven te controleren. Deze innovatie maakte de geautomatiseerde productie van complexe stofpatronen mogelijk. Elke kaart kwam overeen met één rij van het stofontwerp, waarbij de gaten bepaalden welke kettingdraden omhoog zouden komen.
Deze revolutionaire automatisering verbeterde de efficiëntie van de textielproductie dramatisch en legde de basis voor de daaropvolgende ontwikkeling van computertechnologie.
Tegen het einde van de 19e eeuw stond het US Census Bureau voor een enorme uitdaging: het efficiënt verwerken van enorme hoeveelheden censusgegevens. De volkstelling van 1880 had zeven jaar in beslag genomen, waardoor de tijdige voltooiing van daaropvolgende volkstellingen steeds problematischer werd.
Herman Hollerith ging deze uitdaging aan door in 1890 een op ponskaarten gebaseerde tabelleermachine uit te vinden. Zijn systeem werkte via drie belangrijke processen:
De uitvinding van Hollerith verminderde de verwerkingstijd van de volkstelling van 1890 tot slechts drie jaar. Zijn Tabminating Machine Company, opgericht in 1896, werd uiteindelijk in 1924 International Business Machines (IBM).
Ponskaarten maakten gebruik van binaire codering over 80 kolommen, waarbij elke kolom twee rijen van 40 tekens bevatte. De aan- of afwezigheid van gaten vertegenwoordigde binaire waarden (1 of 0), waardoor vier mogelijke combinaties per kolom mogelijk zijn:
Er ontstonden verschillende coderingssystemen, met name:
Hollerith-codering:Gebruikt 12 gatposities per kolom om alfanumerieke tekens weer te geven.
EBCDIC:IBM's Extended Binary Coded Decimal Interchange Code maakte gebruik van 8-bit binaire representaties.
Ponskaarten hadden drie primaire functies:
Hun beperkingen werden tegen het einde van de 20e eeuw duidelijk:
Door de ontwikkeling van magneetbanden, schijfstations en daaropvolgende opslagtechnologieën waren ponskaarten in de jaren tachtig overbodig.
Hoewel ze niet langer praktisch zijn, blijven ponskaarten belangrijk omdat:
Hun verhaal is een voorbeeld van de technologische evolutie en laat zien hoe zelfs verouderde tools toekomstige innovaties kunnen vormgeven. Ponskaarten vertegenwoordigen een cruciaal hoofdstuk in de computergeschiedenis en markeren de overgang van de mensheid naar het digitale tijdperk.